maandag 30 maart 2020 | Berichten

Pensioen ABC voor dummy’s

Aanspraak

Een aanspraak is een ontvangen toezegging. In het oude stelsel zegt een pensioenfonds een bepaald pensioen toe. De deelnemer heeft dan een aanspraak op dat pensioen. Dat betekent, dat hij erop mag rekenen dat hij dat pensioen daadwerkelijk gaat krijgen.

De praktijk is de laatste jaren wat weerbarstiger dan de theorie. In de praktijk van de laatste jaren mag een deelnemer er niet meer vast op rekenen, maar is er nog altijd een grote kans dat hij het wel gaat krijgen. Onder ROL Pensioenfondsen komt het oude uitgangspunt dat de deelnemer op zijn aanspraak mag rekenen weer terug.

In het nieuwe stelsel zijn de aanspraken vervallen. Dat betekent, dat de deelnemer niet meer mag rekenen op een bepaalde hoogte van pensioen.

Actieve deelnemer

Een actieve deelnemer is een deelnemer die premie betaalt of waarvoor premie wordt betaald.

Actuariële premie

De actuariële premie is de zuivere premie die wiskundig gezien nodig is om een bepaald pensioen in te kopen. Er wordt gekeken naar hoe lang een pensioen naar verwachting zal moeten worden uitgekeerd en wat daarvan gefinancierd kan worden uit rente (of beleggingsopbrengsten). De actuariële premie kan men ook wel zien als de kostprijs van het pensioen. 

AOW

De AOW is de oudedagsvoorziening die wel als eerste pijler wordt aangeduid (zie Pensioenpijlers)

De AOW is een nationale minimumregeling. Het doel is om iedereen een minimum bestaan te garanderen. Niet meer en niet minder. De AOW is dus geen vetpot en heeft ook niet de bedoeling om dat te zijn. Wat het verleden van iemand in Nederland ook geweest is, iedereen krijgt AOW. Of men in zijn leven nu veel of weinig verdiend heeft, voor een baas, voor zichzelf of helemaal niet gewerkt heeft maakt allemaal niet uit. Voor de AOW is iedereen gelijk. De enige eis die de AOW stelt is, dat iemand de laatste vijftig jaar in Nederland moet hebben gewoond. 

De AOW wordt gefinancierd door omslagfinanciering via de overheid. (Zie: Omslagfinanciering

Dat betekent, dat de AOW premie dus voor een belangrijk deel bepaald wordt door de verhouding tussen het aantal AOW-ers en het aantal werkenden. Doordat we met z’n allen steeds ouder werden (en worden) werd het aantal AOW-ers ten opzichte van het aantal werkenden steeds groter. Daardoor liep de AOW premie steeds verder op. Om dat te beteugelen is de AOW-gerechtigde leeftijd verhoogd.

AOW leeftijd

De AOW leeftijd is de leeftijd waarop de AOW ingaat. Die stijgt in de loop der jaren naarmate we met z’n allen ouder worden. De AOW leeftijd is vijf jaar tevoren vastgesteld. Deze ingangsleeftijden zijn al bekend:

JaarAOW-leeftijdvoor personen geboren
202266 jaar en 7 maandenna 31 augustus 1955 en voor 1 juni 1956
202366 jaar en 10 maandenna 31 mei 1956 en voor 1 maart 1957
202467 jaarna 28 februari 1957 en voor 1 januari 1958
202567 jaarNa 31 december 1957 en voor 1 januari 1959
202667 jaarNa 31 december 1958 en voor 1 januari 1960
202767 jaar Na 31 december 1959 en voor 1 januari 1961
202867 jaar en 3 maandenNa 31 december 1960 en voor 1 oktober 1961

Voor de jaren daarna is de AOW leeftijd nog niet vastgesteld. Wel is er een formule afgesproken waarmee wordt berekend hoe de AOW leeftijd samenhangt met de levensverwachting. En er zijn berekeningen die een schatting maken hoe de levensverwachting zich in de toekomst zal ontwikkelen. Als we die combineren, dan ontstaat de volgende tabel, die natuurlijk niet formeel is vastgesteld maar een schatting bevat.

202967+31-10-196130-9-1962
203067+31-10-196230-9-1963
203167+61-10-196330-6-1964
203267+61-7-196430-6-1965
203367+61-7-196530-6-1966
203467+91-7-196631-3-1967
203567+91-4-196731-3-1968
203667+91-4-196831-3-1969
203767+91-4-196931-3-1970
2038681-4-197031-12-1970
2039681-1-197131-12-1971
2040681-1-197231-12-1972
204168+31-1-197330-9-1973
204268+31-10-197330-9-1974
204368+31-10-197430-9-1975
204468+61-10-197530-6-1976
204568+61-7-197630-6-1977
204668+61-7-197730-6-1978
204768+61-7-197830-6-1979
204868+91-7-197931-3-1980
204968+91-4-198031-3-1981
205068+91-4-198131-3-1982
2051691-4-198231-12-1982
2052691-1-198331-12-1983
2053691-1-198431-12-1984
2054691-1-198531-12-1985
205569+31-1-198630-9-1986
205669+31-10-198630-9-1987
205769+31-10-198730-9-1988
205869+31-10-198830-9-1989
205969+61-10-198930-6-1990
206069+61-7-199030-6-1991

(bron: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/pensioen/documenten/publicaties/2019/06/05/tabel-aow-leeftijden-obv-principeakkoord)

Begrotingsperspectief

Het begrotingsperspectief is een term die Stichting ROL Pensioenfondsen heeft geïntroduceerd om een bepaalde manier van bepalen van de technische voorziening van een pensioenfonds. De belangrijkste bepalende grootheid hierin is de rekenrente.

Bij het begrotingsperspectief wordt de bepaling van het bedrag dat pensioenfondsen nodig hebben benaderd als een lange termijn begroting. Er wordt als het ware een begroting gemaakt voor het doen van deze ene levenslange pensioenuitkering. Bij een begroting wordt er gekeken naar verwachte inkomsten en verwachte uitgaven. Maar er wordt ook gekeken naar de onzekerheid in de inkomsten en uitgaven. Hoeveel kunnen we er naast zitten? Hoe groot is de kans daarop? Hoe erg is het als we er naast zitten? De antwoorden op die vragen bepalen een voorzichtigheidsmarge waarmee de begroting wordt opgesteld.

Het begrotingsperspectief staat tegenover het waarderingsperspectief.

Beschermingsrendement

Onder de Wet toekomst pensioenen wordt gestuurd op een pensioenkapitaal, maar pensioen is uiteindelijk een periodieke uitkering. Om van een kapitaal naar een periodieke uitkering om te rekenen zijn veronderstellingen nodig over hoeveel rendement er in de toekomst gemaakt zal worden en hoe lang iemand zal leven. Actuarissen werken met grote aantallen en rekenen daarom in plaats van hoe lang iemand zal leven met welk percentage van de deelnemers zal overlijden.

Het beschermingsrendement kent twee soorten. Er is een financieel beschermingsrendement. Dat gaat over het rendement dat over het vermogen gemaakt zou moeten worden. En er is biometrisch beschermingsrendement, oftewel beschermingsrendement vanwege sterfte. En die sterfte valt dan weer uiteen in kortlevenrisico en langlevenrisico. Kortlevenrisico gaat over de kans dat een nabestaandenpensioen moet worden uitgekeerd. Langlevenrisico gaat over het feit, dat iemand recht heeft op een levenslang pensioen, ook als hij 110 wordt.

De techniek achter de twee soorten beschermingsrendement is verschillend. Ze vormen in alle beschouwingen over pensioen ook verschillende hoofdstukken en komen gescheiden van elkaar voor op de pensioenoverzichten. Maar de gedachte erachter is dezelfde. Daarom behandelen we beide hier samen.

Het beschermingsrendement bestaat uit twee delen. Het eerste is het beschermingsrendement uit hoofde van het verstrijken van de tijd. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat de veronderstellingen precies zijn uitgekomen. Een pensioenkapitaal wordt verhoogd met het veronderstelde rendement en de pensioenkapitalen van de deelnemers die volgens de statistiek overleden zouden moeten zijn worden verdeeld over de overlevende deelnemers. Pensioenkapitalen worden daarnaast verlaagd met de bedragen die nodig zijn voor het toekennen van nabestaandenpensioenen van overleden deelnemers.

Het tweede deel van het beschermingsrendement is uit hoofde van de ontwikkelingen. De veronderstellingen waarmee de kapitalen naar een uitkering worden omgerekend zijn namelijk voortdurend in beweging. De rente wijzigt dagelijks en het Actuarieel Genootschap brengt elke twee jaar een nieuwe sterfteprognose uit. Als de veronderstellingen veranderen kun je voor hetzelfde kapitaal dus een hoger of een lager pensioen uitkeren. Het beschermingsrendement uit hoofde van de ontwikkelingen is het bedrag dat aan het pensioenkapitaal moet worden toegevoegd om na omrekening met de nieuwe veronderstellingen precies dezelfde uitkering te kunnen hebben als voor de omrekening op basis van de oude veronderstellingen.

Hierbij moeten enkele dingen scherp gehouden worden.

  • Het beschermingsrendement is de uitkomst van een rekensom die positief en negatief kan zijn.
  • Fondsen hebben de vrijheid om beschermingsrendement afhankelijk van de leeftijd wel, niet of gedeeltelijk toe te kennen. Verondersteld mag worden, dat zij dit daadwerkelijk naar leeftijd zullen differentiëren.
  • Het beschermingsrendement gaat alleen over theoretische rendementen en theoretische sterfte op basis van de veronderstellingen. De werkelijke rendementen en de werkelijke sterfte zullen uiteraard afwijken van de theorie. Die afwijking noemt men overrendement.

Zie ook Overrendement

Casino pensioen

Rond 2010 werd voor het eerst gesproken over hervormingen van het pensioenstelsel, waarbij de nominale zekerheid (Zie Nominale aanspraak) zou worden opgegeven en het pensioen meer afhankelijk gemaakt zou worden van beleggingsopbrengsten. Tegenstanders van die onzekerheid bedachten toen het woord casino pensioen. Het geeft aan, dat pensioen (mede) afhankelijk is van een dosis geluk. 

Collectief pensioen

Het collectief pensioen is de oudedagsvoorziening die ook wel tweede pijler pensioen wordt genoemd (zie Pensioenpijlers). 

Het collectief pensioen is georganiseerd per bedrijf of bedrijfstak. De meeste pensioenen worden opgebouwd bij pensioenfondsen. Een minderheid wordt opgebouwd bij verzekeraars of Premie Pensioen Instellingen. De nationale pensioendiscussie gaat meestal alleen of grotendeels over pensioenen die bij pensioenfondsen worden opgebouwd. 

Collectieve pensioenen worden gefinancierd door zogenaamde kapitaaldekking. Dat betekent, dat je premie betaalt voor je eigen pensioen, dat wordt aangevuld met rente en beleggingsopbrengsten om later het pensioen uit te kunnen keren. 

Aan de andere kant is het nu ook weer geen spaarrekening. Pensioensparen gebeurt namelijk collectief. Zo worden de gespaarde gelden voor ouderdomspensioen van mensen die overlijden niet uitgekeerd aan nabestaanden, maar gebruikt om de ouderdomspensioenen van anderen te kunnen financieren. Zo moet er ook genoeg geld zijn voor het pensioen van iemand die 110 jaar oud wordt.  

Zo zijn er meer vormen van solidariteit binnen een pensioenregeling. 

De nationale pensioendiscussie gaat voor het belangrijkste deel over het collectieve pensioen. De discussie komt neer op twee hoofdvragen: Hoeveel en welke solidariteit willen we hebben? En hoe voorzichtig willen we met ons pensioen omgaan als we weten, dat hoe voorzichtiger hoe duurder het is?

Compensatie

Onder de Wet toekomst pensioenen wordt de doorsneesystematiek afgeschaft om over te gaan op degressieve opbouw (Zie Degressieve opbouw). In het oude stelsel bouwt iedereen elk jaar een zelfde deel van zijn pensioen op (afgezien van salarisstijgingen). Bij degressieve opbouw bouwt iemand steeds minder pensioen op naarmate hij ouder wordt.

Nu zijn er miljoenen mensen die op de transitiedatum van het nieuwe stelsel al aan een pensioenregeling deelnemen. Zij hebben in het verleden dus in een systeem gezeten waarin zij elk jaar qua percentage evenveel opbouwden en gaan over naar een systeem waarin zij elk jaar minder opbouwen. Dat betekent voor hen een achteruitgang. 

Rekenvoorbeeld: Iemand bouwt in negen jaar elk jaar een tientje pensioen op. Na negen jaar heeft hij dus 9 * € 10 = € 90 pensioen opgebouwd. Nu gaat hij over naar een systeem waarin hij het eerste jaar € 14, het tweede jaar € 13, het derde jaar € 12, …, het negende jaar € 6 op. Dan bouwt hij in totaal € 14 + € 13 + € 12 + € 11 + € 10 + € 9 + € 8 + € 7 + € 6 op. Ook dat is samen € 90. 

Echter, het nieuwe systeem wordt ingevoerd als hij er al vijf jaar heeft opzitten. Dan heeft hij in het verleden dus 5 * € 10 opgebouwd en gaat hij in de rest van de looptijd nog € 9 + € 8 + € 7 + € 6 opbouwen. Dan komt zijn totale pensioen dus op 5 * € 10 + € 9 + € 8 + € 7 + € 6 = € 80. Hij heeft dus een tientje minder opgebouwd. Terwijl hij hetzelfde betaald heeft.

Vaak wordt gedacht, dat dit probleem zich alleen voordoet bij mensen die op of over de helft van hun opbouw zitten. Maar dat is niet zo. Stel, dat het systeem wordt ingevoerd als iemand er twee jaar heeft opzitten. Dan heeft hij dus al 2 * € 10 opgebouwd. In het derde jaar bouwt hij geen € 10, maar € 12 op. Dat lijkt een vooruitgang. € 2 meer pensioen voor hetzelfde geld. Dat lijkt zo, maar dat is niet zo. Want als we kijken naar waar zijn pensioen aan het eind van de rit uitkomt, dan blijkt dat 2 * € 10 + € 12 + € 11 + € 10 + € 9 + € 8 + € 7 + € 6 = € 83. Dat is weliswaar € 3 meer dan iemand die halverwege zat, maar nog altijd € 7 minder dan hij eerst had. Zo heeft iedereen die op het moment van overstappen deelneemt aan een regeling nadeel van de overstap.

Voor de allerjongste deelnemers zal dit gecompenseerd worden door het feit, dat hun premie gemiddeld langer rendement kan opleveren, wat hen voor dezelfde premie juist een hoger pensioen oplevert. Maar voor een belangrijk deel van de deelnemers zal de overgang naar een degressief systeem een achteruitgang betekenen. 

Afgaande op de geluiden ziet het er naar uit, dat voor deze achteruitgang wel een vorm van compensatie gaat komen. Maar of die compensatie volledig zal zijn of slechts gedeeltelijk is zelfs nu de wet is aangenomen nog onduidelijk. Hoe de compensatie eruit gaat zien is ook nog niet bekend. Waar het geld vandaan moet komen om al die compensatie te betalen is nog de vraag. 

DB pensioen

DB staat voor Defined Benefit, oftewel gedefinieerde uitkering. Een ander woord is ook wel salaris-diensttijd-pensioen: het pensioen dat men ontvangt kan men afleiden uit de diensttijd en het daarbij behorende salaris.  

Bij een DB pensioen staat de uitkering centraal. De deelnemer heeft een aanspraak op een bepaald pensioen. De premie wordt afgeleid van de gedane toezegging.

DC pensioen

DC staat voor Defined Contribution, oftewel gedefinieerde bijdrage. In een DC regeling wordt er toegezegd hoeveel premie er betaald wordt en wordt het pensioen afgeleid uit wat die premies hebben opgeleverd. 

DC pensioenen zijn er in verschillende vormen. Zo kan men de vastgestelde premie meteen omrekenen in een concrete pensioenaanspraak. Dan staat het te ontvangen pensioen weliswaar niet beschreven in het pensioenreglement, maar weet de deelnemer wel meteen waar hij op mag rekenen.

Maar bij een zuivere DC regeling – die veel gebruikelijker is en onder de Wet toekomst pensioenen ook voorgeschreven wordt – wordt dat niet gedaan. De premie wordt in een eigen pensioenpot gestort en die wordt belegd en de opbrengst van de beleggingen wordt aan de pot toegevoegd.

In de praktijk wordt er overigens niet voor elke deelnemer apart belegd, maar is er één grote pot, waarvan een zoveelste deel aan de deelnemer wordt toegekend. Pensioenfondsen kunnen ook verschillende grote potten (beleggingsfondsen) hebben; dan kan er per deelnemer (of per leeftijdscategorie) gevarieerd worden hoe zijn pensioenpot over de verschillende beleggingsfondsen verdeeld wordt.

Op de pensioendatum wordt de dan opgebouwde pot dan omgezet in een pensioenaanspraak. Om te voorkomen dat het pensioen erg afhankelijk is van de beurskoers van die ene omrekendag wordt dat overigens meestal gespreid over een zekere periode voorafgaand aan de pensioendatum.

In zijn meest pure vorm noemt men het ook wel een zuivere premieregeling. Dit ter onderscheid van tussenvormen, waarbij bijvoorbeeld weliswaar de in te leggen premie bepalend is, maar deze zodra hij betaald is direct wordt omgezet in een concrete aanspraak.

Degressieve opbouw

De doorsneesystematiek, waarbij jongeren een groter deel van de kostprijs van hun pensioen betalen dan ouderen wordt als probleem gezien. Dat kun je op twee manieren oplossen: oudere werknemers gaan meer betalen of oudere werknemers krijgen minder. Degressieve opbouw is de keuze voor het laatste. Iedereen blijft dezelfde pensioenpremie betalen, maar ouderen krijgen daar minder voor dan jongeren. 

Dekkingsgraad

Een pensioenfonds berekent maandelijks hoeveel geld zij nodig heeft om de pensioenverplichtingen na te komen. Dat doet zij op basis van de meest actuele actuariële grondslagen, oftewel de meest actuele inzichten over rente, sterfte etc. Vooral het standpunt over rente, oftewel de rekenrente, verandert maandelijks.  Vervolgens kijkt zij naar hoeveel geld er daadwerkelijk in kas is. Die twee worden op elkaar gedeeld en de uitkomst heet de dekkingsgraad van het fonds. Bij een dekkingsgraad van 100% heeft een fonds precies genoeg geld in kas om de pensioenen uit te keren als de aannames precies kloppen. Bij een dekkingsgraad boven de 100% heeft een fonds meer dan voldoende geld en bij een dekkingsgraad onder de 100% heeft een fonds een tekort.

Doorsneepremie / doorsneesystematiek

Pensioen wordt opgebouwd uit premie en het rendement daarop. Hoe langer geld kan worden weggezet, hoe meer rendement er gemaakt kan worden. Daarom is het inkopen van een bepaalde pensioenuitkering voor iemand van 25 goedkoper dan voor iemand van 55. Verschillende pensioenuitvoerders, zoals verzekeraars, vragen dan ook meer premie aan iemand van 55 dan aan iemand van 25. 

Maar niet alle pensioenuitvoerders doen dat. Er zijn ook pensioenuitvoerders, waaronder de grootste, die voor alle deelnemers ongeacht de leeftijd procentueel dezelfde premie vragen, zowel in het oude als het nieuwe stelsel. In het oude stelsel kreeg ook iedereen daarvoor dezelfde pensioenaanspraak. Dat heet de doorsneepremie of de doorsneesystematiek.

Nu waren er mensen die dat niet eerlijk vinden. Er werd gezegd, dat jongeren hiermee voor ouderen betalen. 

Feitelijk is dat niet juist. De premie wordt namelijk betaald door werknemers en werkgevers samen. De premie die werknemers zelf betalen is minder dan de premie die nodig is om hun eigen pensioen in te kopen. Om het pensioen te kunnen inkopen moet er geld van de werkgever bij. Dat geldt voor jong en dat geld voor oud. Wel is het zo, dat jonge werknemers een groter percentage van de benodigde pensioenpremie betalen dan oude werknemers.

De suggestie, dat jong betaalt voor oud werd zo belangrijk gevonden, dat het een van de belangrijkste onderdelen is van de Wet toekomst pensioenen. Overigens is de solidariteit tussen generaties de enige solidariteit die als probleem wordt gezien. Zo leven vrouwen bijvoorbeeld langer dan mannen en genieten zij dus langer van het pensioen waarvoor ze dezelfde premie betalen. Dat wordt niet als probleem gezien.

Fictief

In het solidaire contract wordt belegd via één grote beleggingspot, maar de rendementen worden niet gelijkelijk over alle deelnemers verdeeld. Jongeren krijgen meer van zowel rendement als risico en ouderen minder. Generaties beleggen daardoor niet echt in verschillende beleggingsmixen, maar voor de groei (of krimp) van hun pensioen is het wel alsof ze in een bepaalde beleggingsmix beleggen. We zeggen, dat ze fictief in een bepaald percentage aandelen (of welke categorie dan ook) beleggen.

Financieel ToetsingsKader (FTK)

Het FTK is de set van regels waarop de wetgeving rondom pensioenen en pensioenfondsen sinds 2007 is gebaseerd en die geldt tot 31 december 2027 of zoveel eerder als een fonds naar het nieuwe stelsel overgaat. Het is een set regels om de nominale aanspraken (zie aldaar) van deelnemers te beschermen tegen korten. 

Flexibel contract

Pensioenfondsen hebben keuze uit twee contracten om de pensioenregeling vorm te geven. Een daarvan is het flexibele contract.

In het flexibele contract wordt er voor elke deelnemer een eigen pot beleggingen aangehouden. Daardoor kunnen deelnemers eigen keuzes maken wat betreft hun beleggingen. In theorie kan dit zowel over risico en rendement als over ethische keuzes gaan. Het rendement dat aan een deelnemer wordt toegekend is gewoon het rendement dat op die beleggingspot gemaakt wordt.

Franchise

Het tweede pijler pensioen moet zorgen van een inkomen op een bepaald niveau na pensionering. Dat niveau is op een of andere manier afhankelijk van het salaris van iemand over de jaren heen. 

Nu wordt een basis voor dit inkomen al gelegd door de AOW. 

Daarom wordt er in elke pensioenregeling een bepaald deel van het salaris (een vast bedrag) aangewezen als de basis voor het pensioen dat nu al door de AOW wordt verzorgd. Voor dat deel is in de AOW al gezorgd; dat salaris hoeft dus niet mee te doen in de pensioenregeling. Dat deel van het salaris heet franchise.

In elke regeling wordt die franchise dus van het salaris afgetrokken. Het verschil is het pensioengevend salaris en over dat salaris wordt pensioen opgebouwd

FTK

Financieel ToetsingsKader

Indexatie

Indexatie is verhoging van het pensioen, bijvoorbeeld om de inflatie te compenseren.

Inkoop pensioen

Het woord inkoop van pensioen is een term die soms op een nogal verwarrende manier gebruikt wordt. Het kan letterlijk bedoeld worden: men gaat naar een verzekeraar, legt een bedrag op tafel en krijgt dan een pensioen.

Maar het wordt ook vaak in overdrachtelijke zin gebruikt. Dan is er geen sprake van een transactie met een andere partij, maar betekent het gewoon omrekenen van een kapitaal naar een periodieke uitkering. Men “koopt” het pensioen bij wijze van spreken in bij zichzelf.

Korten pensioenen

Korten van pensioenen betekent het verlagen van pensioenen als gevolg van de financiële positie van een pensioenfonds. Soms wordt gedacht, dat dit alleen over ingegane pensioenen gaat, maar het betreft evenzeer de opgebouwde aanspraken van nog niet ingegane pensioenen. 

In het oude stelsel zijn pensioenen beschermd tegen korten. Kritiek daarop is, dat die bescherming duur is en bovendien niet goed werkt.

Daarom is in de Wet toekomst pensioenen die bescherming dan maar afgeschaft. Daardoor zullen pensioenen vaker gekort gaan worden.

In ROL pensioenen is er juist voor gekozen om die bescherming te repareren. Bovendien is er een nieuwe manier bedacht om dat te doen, waardoor het een stuk minder duur is. 

Koopkrachtig Solidair Pensioen

Koopkrachtig Solidair Pensioen is het project, waarbij wij met een initiatief wetsvoorstel de Wet toekomst pensioenen willen verbeteren. Rond de eeuwwisseling is er een fout gemaakt bij het modelleren van pensioenrisico’s. Door die fout te corrigeren is het niet zo moeilijk om pensioenen weer zeker en koopkrachtig te maken.

Het project wil niet alleen het idee opperen hoe het zou moeten, maar ook de uitvoering ervan zelf ter hand nemen.

Kapitaaldekking

Kapitaaldekking is een manier van financieren van pensioen, waarbij degene die premie betaalt (of namens wie betaald wordt) ook degene is die de uitkering geniet. Iemand (werkgever en/of werknemer) betaalt premie, die premie wordt belegd en verhoogd met beleggingsopbrengsten en na de nodige jaren worden daaruit de uitkeringen betaald. 

Langlevenrisico

Pensioenen worden levenslang uitgekeerd. Dat betekent dat het belangrijk is om te weten hoe lang iemand naar verwachting zal leven. Als iemand langer leeft dan verwacht, dan moeten er meer uitkeringen gedaan worden dan waarvoor premie is betaald en lijdt het fonds dus verlies. Dat noemen we het langlevenrisico. 

Nu is dat voor één persoon nog niet zo’n probleem, maar het is wel een probleem, dat we allemaal steeds langer leven. 

Daarom werken pensioenfondsen sinds 2012 met een zogenaamde generatietafel. Dat is een sterftetafel, oftewel een statistische inschatting hoe lang deelnemers nog zullen leven, die rekening houdt met langer leven in de toekomst. Door die generatietafel kan nu goed worden ingeschat hoe lang uitkeringen kunnen duren. Generatietafels daarna (2014, 2016 en 2018, 2020 en 2022) hebben dan ook laten zien, dat er soms een bijstelling naar boven en soms een bijstelling naar beneden is. 

Leenrestrictie

In het solidaire contract wordt gewekt met één grote pot beleggingen waarvan rendement en risico op basis van een bepaalde formule worden toegerekend aan generaties. Het effect van die zogenaamde leeftijdsafhankelijke rendementstoedeling is hetzelfde als wanneer de generaties hun pot volgens een bepaalde beleggingsmix belegd hebben.

Jongeren krijgen meer rendement en risico toebedeeld dan ouderen. Men kan zeggen, dat ze fictief meer in aandelen beleggen. Omdat het alleen maar gaat om het doorrekenen van wiskundige formules en niet om daadwerkelijk handelen op de beurs kan men daar heel extreme uitkomsten uit krijgen. In de Memorie van Toelichting staat een voorbeeld van een formule die men kan hanteren voor de verdeling over generaties. DNB heeft die formule doorgerekend. Toen Pieter Omtzigt doorvroeg naar de formules daarachter bleek het neer te komen op een fictieve belegging van 1600% in aandelen voor twintigers. Oftewel: als de beurs met 1% omhoog gaat, gaat jouw potje met 16% omhoog. Gaat de beurs met 2% omhoog, dan verdien je 32%. Dat is snel geld verdienen. Maar het gaat precies zo als de beurs naar beneden gaat. Als de beurs met 1% omlaag gaat, gaat jouw potje met 16% omlaag. Als de beurs 6,25% omlaag gaat, dan gaat jouw pot met 100% omlaag, oftewel ben je je hele pensioen kwijt. Een daling van de beurs met 6,25% of meer is deze eeuw verschillende malen voorgekomen. Dat vond men te gek en toen is in de wet gekomen dat dit percentage niet meer dan 150% mag zijn. dan moet de beurs met 66,7% dalen om je hele pensioen kwijt te zijn. Zo’n daling is deze eeuw éénmaal voorgekomen, namelijk in de dotcom-crisis aan het prille begin van deze eeuw.

Men spreekt van de leenrestrictie als het percentage fictieve beleggingen in aandelen niet hoger mag zijn dan 100%. Als dat wel mag, dan spreekt men van opheffen van de leenrestrictie.

Life cycle beleggen

Onder de Wet toekomst pensioenen gaan deelnemers meer risico lopen over de beleggingen van hun pensioen. Nu kunnen jonge deelnemers dat wel hebben. Beleggingen met meer risico leveren ook een hoger verwacht rendement op. Over de vele jaren die zij nog te gaan hebben naar hun pensioen middelt dat risico wel uit en is het hogere verwachte rendement aantrekkelijk. Voor oudere deelnemers ligt dat anders. Begin 2020 zijn de beurzen als gevolg van het corona virus tientallen procenten achteruit gegaan. Als het pensioen daarvan afhankelijk zou zijn, dan zouden ook pensioenen tientallen procenten achteruit gaan. Gepensioneerden en mensen die vlak voor hun pensioen zitten kunnen dat risico niet dragen. 

Daarom is er een vorm van beleggen bedacht die daarmee rekening houdt: life cycle beleggen. Bij life cycle beleggen wordt er veel in aandelen belegd als men jong is en minder naarmate men ouder wordt. 

Deze beleggingsstrategie is afgekeken van beleggingsfondsen die bijvoorbeeld dienen om een hypotheek af te lossen. Omdat daar wordt toegewerkt naar een uitkering op één datum werkt het in die situatie prima. Voor pensioenen is de methode minder geschikt. Voor iemand van bijvoorbeeld 62 is zijn eerste uitkering namelijk al vrij snel en daarom zal er behoudend belegd moeten worden, maar zijn laatste uitkering is misschien over dertig jaar. Daarvoor zou juist ambitieuzer belegd mogen worden. Life cycle kent per deelnemer maar één beleggingsmix; die is dus of voor de eerste of voor de laatste uitkering niet passend.

Malieveld

Het Malieveld is een veld in den Haag, vlak bij het Centraal Station. Hier worden na overgang naar de Wet toekomst pensioenen veel demonstraties van senioren verwacht.

Nabestaandenpensioen

Het nabestaandenpensioen is het pensioen dat de partner van een deelnemer krijgt nadat de deelnemer is overleden. Het bestaat uit partnerpensioen (pensioen dat direct aan de partner gekoppeld is) en wezenpensioen (pensioen voor de opvoeding van de kinderen).

Er zijn nog veel onduidelijkheden hoe teksten moeten worden geïnterpreteerd. Wat wel duidelijk is, is dat het partnerpensioen tot aan de pensioendatum voortaan alleen nog op risicobasis kan worden toegezegd en dat het maximaal 50% van het salaris mag bedragen. Een eventueel tijdelijk partnerpensioen of Anw-hiaat mag hier nog bovenop komen van maximaal. 8/7x Anw. Het wezenpensioen mag max 20% van het salaris bedragen en wordt uitgekeerd tot uiterlijk 25 jaar (dus geen gedoe meer met studieverklaringen voor wezen die nog naar school of universiteit gaan.

Zowel partnerpensioen als wezenpensioen worden dus rechtstreeks afgeleid van het salaris en zijn onafhankelijk van de diensttijd.

Na dienstverlating kan de dekking van het partnerpensioen nog minimaal 3 en maximaal 6 maanden worden voortgezet (sociale partners bepalen deze termijn, waarschijnlijk zal in de risicopremie een kleine opslag hiervoor worden berekend). Ook tijdens WW-uitkering moet de risicodekking worden voortgezet. Daarna kan de risicodekking vrijwillig worden voortgezet (in het reglement moet een minimale termijn van 15 jaar worden opgenomen, doch uiterlijk tot de pensioendatum). De risicopremie voor deze vrijwillige dekking wordt onttrokken aan het persoonlijk pensioenvermogen.

Nominale aanspraak

De nominale aanspraak is de pensioenaanspraak in euro’s. 

In de meeste pensioenregelingen was de nominale aanspraak helder geformuleerd. U krijgt op die en die datum dat bedrag aan pensioen. 

Het oude stelsel is gericht op bescherming van de nominale aanspraken. Daarop is de inmiddels breed gedragen kritiek gekomen, dat een nominale aanspraak niets zegt over hoeveel je tegen die tijd voor dat bedrag kunt kopen. Zeker voor jonge deelnemers zou een euro na hun pensionering wel eens minder dan de helft waard kunnen zijn als nu. 

Omslagfinanciering

Omslagfinanciering (of omslagstelsel) is een manier van financieren van pensioen, waarbij degene die premie betaalt een ander is dan degene die uitkering geniet. Iemand betaalt premie, die premie wordt onmiddellijk gebruikt om de uitkering van iemand anders te financieren. In Nederland is dat van toepassing op de AOW. Er wordt dus niet gespaard voor de AOW-uitkering. 

Rekenvoorbeeld: er zijn 5 AOW -ers en 50 werkenden. Iedere AOW -er ontvangt € 100. De totale uitgaven zijn € 500 (= 5 AOW-ers * € 100) dus de werkenden betalen allemaal een tientje ( = € 500 / 50 werkenden).

De AOW premie wordt dus voor een belangrijk deel bepaald door de verhouding tussen het aantal AOW-ers en het aantal werkenden. 

Opbouwbasis

Een nabestaandenpensioen op opbouwbasis is een nabestaandenpensioen waarvoor jaarlijks wordt gespaard. Elk jaar wordt het nabestaandenpensioen voor een stukje opgebouwd. Het voordeel van een nabestaandenpensioen op opbouwbasis is, dat het blijft staan als de deelnemer uit dienst gaat. Als de deelnemer overlijdt na uit dienst te gaan, dan krijgt de nabestaande het nabestaandenpensioen dat is opgebouwd.

Nadeel van een nabestaandenpensioen op opbouwbasis is dat het in het begin heel erg laag is. je bouwt elk jaar een stukje op en als je op jonge leeftijd overlijdt, heb je nog niet zo veel opgebouwd. Daarom wordt een nabestaandenpensioen op opbouwbasis vaak gecombineerd met een nabestaandenpensioen op risicobasis, waarbij het verschil tussen het gewenste pensioen en wat er al is opgebouwd als een levensverzekering wordt bijverzekerd. Maar dit gebeurt alleen zo lang de deelnemer in dienst is.

Onder de Wet toekomst pensioenen is deze vorm van nabestaandenpensioen vóór de pensioendatum niet meer toegestaan. Maar het in het verleden opgebouwde nabestaandenpensioen blijft wel gehandhaafd.

Overrendement

Pensioenfondsen worden gestuurd op basis van veronderstellingen ten aanzien van beleggingsrendement, sterfte en administratiekosten. Dit geldt zowel in het oude als in het nieuwe stelsel. Die veronderstellingen krijgen dan namen als rekenrente, sterftetafel, beschermingsrendement, projectierendement en dergelijke.

De veronderstellingen komen natuurlijk nooit precies uit. Het verschil tussen theorie en praktijk noemt men overrendement. Let wel, overrendement kan zowel positief als negatief zijn.

In het oude stelsel is er bijvoorbeeld een rekenrente van 1% en een werkelijk behaald rendement van 5%. De 4% verschil noemt men dan overrendement. Dat overrendement wordt dan gebruikt om tekorten op andere onderdelen te compenseren, om de financiële positie van het fonds te versterken of om te indexeren. Bij een rekenrente van 1% en in werkelijkheid een verlies van 3% is het overrendement negatief 4%. Als dat niet wordt gecompenseerd door meevallers op andere onderdelen gaat het ten koste van de dekkingsgraad en kan het zelfs leiden tot korten van pensioenen.

In het nieuwe stelsel wordt het overrendement verdeeld over de deelnemers. Een deel kan ook worden gestort in (of onttrokken aan) de solidariteitsreserve. Omdat overrendement ook negatief kan zijn is die verdeling leeftijdsafhankelijk. Ouderen kunnen zich niet zoveel verliezen veroorloven en krijgen dus een klein deel van het overrendement. Jongeren kunnen zich meer veroorloven en krijgen dus een groter deel van het overrendement.

Zie ook beschermingsrendement

Pech- en gelukgeneraties

Tegenstanders van het onzekere pensioengebruiken de term pech- en gelukgeneraties om hun tegenzin te onderstrepen. De situatie begin 2020 kan dit begrip goed illustreren. Daarbij gaat men uit van een pensioen dat deels gebaseerd is op het rendement op aandelen. Iemand die op 1 januari 2020 vanuit een bepaalde aandelenportefeuille een pensioen aankoopt, krijgt daar een bepaald pensioen voor. Iemand in dezelfde omstandigheden, maar drie maanden jonger, heeft een heel ander plaatje. Die verkoopt de aandelen op 1 april 2020 en dan is de koers enkele tientallen procenten gezakt. De tweede persoon heeft dan levenslang een pensioen dat tientallen procenten lager is. De eerste noemen we dan de gelukgeneratie; degenen die een paar maanden jonger zijn vormen de pechgeneratie.

Natuurlijk is dit een extreem voorbeeld. Niemand wil deelnemers dit enorme risico laten lopen. Daarom zijn er binnen de Wet toekomst pensioenen maatregelen bedacht om dit effect te dempen. Zoals zo vlak voor de pensioendatum niet meer zo vol in aandelen beleggen. Daarmee wordt dit effect flink gedempt. Maar het wordt niet weggenomen. 

Onder ROL Pensioen is er helemaal geen sprake van pech- en geluk generaties. Onder ROL Pensioenfondsen wordt dit effect uitgemiddeld over de tijd en gespreid over alle deelnemers.

Pensioenpijlers

De oudedagsvoorziening in Nederland bestaat uit drie pijlers. 

De eerste pijler is de AOW. De AOW moet voor iedereen een minimuminkomen garanderen. Daarom maakt het voor de AOW niet of iemand in zijn leven gewerkt heeft. DE AOW wordt verzorgd door de overheid.

De tweede pijler is het collectief pensioen. Het collectief pensioen moet ervoor zorgen, dat iemand na pensionering ongeveer zo kan doorleven als voor pensionering.  Daarom is pensioen altijd op een of andere manier gekoppeld aan het salaris. Het collectief pensioen wordt via de werkgever verzorgd door pensioenuitvoerders. Meestal gaat het om pensioenfondsen, maar een minderheid wordt verzorgd door Pensioenverzekeraars of Premie Pensioen Instellingen (PPI’s). Hoewel de meeste mensen wel een vorm van collectief pensioen hebben, is dat niet verplicht. Er zijn dus ook mensen zonder collectief pensioen. 

De derde pijler wordt gevormd door individuele lijfrenten. Dat zijn oudedagsvoorzieningen die ieder voor zich kan treffen.

Sommigen hebben het ook over een vierde of vijfde pijler. Een afgeloste hypotheek, spaargeld en doorwerken na pensionering zijn ook methoden om na de pensioendatum voor een inkomen kunnen zorgen.

PPI

Premie Pensioen Instelling.

Dit is een heel specifiek pensioenuitvoerder. Een PPI mag geen risico lopen, althans geen risico dat aan pensioenen gerelateerd is. Een PPI mag dus geen bedragen garanderen. Bij een PPI wordt dus premie ingelegd en de inleg plus beleggingsrendement bepalen hoe hoog het pensioen wordt.

Ook mag een PPI geen sterfterisico lopen. Voor het nabestaandenpensioen en de levenslange uitkering moet de PPI dus een samenwerking aangaan met een verzekeraar.

Premiedekkingsgraad

Een van de vreemde regels binnen de oude regelgeving, het FTK, is, dat de veronderstellingen waarop men baseert hoeveel premie er nodig is om een bepaalde pensioentoezegging te financieren heel anders zijn dan de veronderstellingen waarop men baseert hoeveel geld een fonds in kas moet hebben om diezelfde pensioentoezegging na te komen. 

Zo kon het bijvoorbeeld gebeuren, dat er € 70 premie wordt betaald voor een bepaalde pensioentoezegging. Die premie wordt volgens de regels voor het vaststellen van premies kostendekkend genoemd. Maar als de premie eenmaal betaald is moet het fonds berekenen hoeveel het nodig heeft om die pensioentoezegging ook daadwerkelijk na te komen. Dat moet het fonds op basis van andere regels doen en daar kan bijvoorbeeld € 100 uitkomen. In dit voorbeeld noemt men de verhouding € 70 / € 100 = 70% de premiedekkingsgraad. De premie is voor 70% dekkend voor de inkoop van de bijbehorende pensioenen. In dit voorbeeld lijdt het fonds € 30 verlies die ten koste gaat van de mogelijkheid om te indexeren of niet te hoeven korten. 

Premieregeling

Een premieregeling (of DC regeling) is een regeling waarbij de premie het uitgangspunt is en waarbij het (te bereiken) pensioen dus een afgeleide. In zijn meest pure vorm noemt men het ook wel een zuivere premieregeling. Dit ter onderscheid van tussenvormen, waarbij bijvoorbeeld weliswaar de in te leggen premie bepalend is, maar deze zodra hij betaald is direct wordt omgezet in een concrete aanspraak.

Projectierendement

Het projectierendement is de nieuwe naam van de rekenrente. Het wordt gebruikt voor twee dingen.

  • Bij de transitie naar het nieuwe stelsel wordt het projectierendement gebruikt om de aanspraken in het oude stelsel om te rekenen naar persoonlijke pensioenvermogens. Er wordt berekend hoeveel geld er nodig is om de huidige pensioenaanspraak in de toekomst uit te kunnen keren, vanuit de veronderstelling dat in de toekomst een rendement op beleggingen gemaakt wordt dat precies gelijk is aan het projectierendement. Dat bedrag is het persoonlijke pensioenvermogen. Vervolgens worden alle pensioenvermogens bij elkaar opgeteld en de som daarvan wordt vergeleken met hoeveel het fonds in kas heeft. Die twee bedragen worden op elkaar gedeeld en alle pensioenvermogens worden vermenigvuldigd met dat percentage.
    Voorbeeld: Jan heeft € 100 nodig om zijn nu toegekende pensioen te kunnen uitkeren en Piet € 50. Het fonds heeft € 165 in kas. Dan zijn de pensioenvermogens van Jan en Piet samen € 150. €165 gedeeld door € 150 is 110%. jan en Piet krijgen dus elk 10% extra; Jan krijgt € 110 en Piet € 55. Als Jan al met pensioen is, kan zijn pensioen dus met 10% worden verhoogd.
    Is er niet € 165, maar € 135 in kas, dan krijgt hetzelfde sommetje een heel andere uitkomst: dan wordt het pensioen van Jan juist met 10% verlaagd.
    Dit is overigens een sterk vereenvoudigde uitleg. In werkelijkheid kan het fonds ook nog kiezen voor een andere manier van verdelen en moeten er uit de grote pot ook nog allerlei kleine potjes gevormd worden, zoals de compensatiereserve en de solidariteitsreserve.
    Het moge duidelijk zijn dat de keuze voor een projectierendement erg nauw luistert. Kies je een hoog projectierendement, dan zal een groot deel van het totale vermogen bij de verdeling bij ouderen terechtkomen; kies je een laag projectierendement, dan zullen juist jongeren profiteren. Het projectierendement zal waarschijnlijk voor een belangrijk deel van de rentestand worden afgeleid. Dat betekent, dat de datum van overgang van grote invloed zal zijn op de verdeling van het pensioenvermogen en dus van de pensioenen van alle deelnemers voor de rest van hun leven.
  • Bij de omrekening van een pensioenvermogen naar een uitkering. Als iemand de pensioendatum bereikt, dan moet zijn pensioenvermogen worden omgerekend naar een pensioenuitkering. voor die omrekening wordt gekozen voor een veronderstelling over het toekomstig rendement dat nog gehaald kan worden in de rest van iemands leven. Men kan kiezen voor een hoog projectierendement. Dan zal men een hoge pensioenuitkering krijgen. Maar toekomstige verhogingen zijn afhankelijk van het behaalde rendement bovenop het projectierendement. Is dat hoog, dan zal het heel lastig zijn om daar nog overheen te komen en zal toekomstige verhoging dus veel moeilijker worden (of verlaging vaker voorkomen). Kiest men voor een laag projectierendement, dan is het net andersom.

Rekenrente

Pensioen is een vorm van collectief sparen. Je betaalt premie aan je pensioenfonds (of verzekeraar, of andere pensioenuitvoerder). Die gaat die premies beleggen, waardoor de pensioenpot aangroeit. Na de pensioendatum wordt het geld dat dan in de pot zit gebruikt om de pensioenuitkeringen te doen. 

Het is iets ingewikkelder dan dat, omdat het fonds meer dan één deelnemer heeft, maar dit is wel het idee. 

Hoeveel premie je moet betalen om te komen tot een goed pensioen hangt af van het rendement dat er op de beleggingen gemaakt wordt. Dat rendement is natuurlijk niet bekend voor zovele jaren in de toekomst. Daarom maakt het fonds een inschatting van wat dat rendement zal zijn. Die inschatting heet de rekenrente. 

Elk jaar heeft het fonds beleggingsopbrengsten. Daarvan was de rekenrente al ingecalculeerd. Die wordt er dus vanaf gehaald voor de gecalculeerde opbouw van de pensioenpot. Wat overblijft is winst voor het fonds.  Is de beleggingsopbrengst minder dan de rekenrente, dan is er dus verlies.

Als de rekenrente hoog is, wordt er dus gerekend op veel inkomsten uit rente en beleggingen. Dan is er dus minder premie nodig om hetzelfde pensioen te kunnen bereiken. Maar als de rekenrente hoog is, dan zal in de toekomst de kans dat het werkelijke rendement op beleggingen die verwachting waar maakt is kleiner worden. Een hoge rekenrente betekent dus minder kans op winst in de toekomst.

Als de rekenrente laag is, dan is het natuurlijk net andersom.

Nu maakt een fonds een inschatting over de toekomstige beleggingsopbrengsten niet voor de eeuwigheid. Er kunnen redenen zijn om die inschatting (lees: de rekenrente) te veranderen. Als de inschatting voor de toekomst pessimistischer wordt, dan zakt dus de rekenrente. Maar dan zit er ineens niet meer voldoende geld in de pensioenpot. De pensioenpot zal dan moeten worden aangevuld. Maar er komt geen geld van buiten en dus zal het fonds de pensioenpot uit eigen middelen moeten aanvullen. Het fonds maakt dan verlies. 

Bij een verschuiving naar een optimistischere inschatting is alles natuurlijk precies andersom.

Nu is in de hele pensioenberekening geen rekening gehouden met indexatie (verhoging van pensioen ter compensatie van inflatie) in de toekomst. Om die indexatie toch te kunnen bieden moet een fonds winst maken. Uit die winst, of de gemiddelde winst over een aantal jaren. 

Er zijn verschillende manieren om de rekenrente te bepalen. Een fonds is daar niet vrij in; één van die manieren is wettelijk vastgelegd.

Rekenrente – Oude wetgeving

De redenering van de wetgever is: de pensioenen zijn toegezegd en dus moet je ook kiezen voor een rekenrente die je met zekerheid kunt maken. Dat is de zogenaamde risicovrije rente. Die rente wordt elke maand vastgesteld en dus moet een fonds elke maand haar rekenrente aanpassen en maakt een fonds elke maand winst of verlies op die aanpassing van de rekenrente. En in de loop van de laatste tien jaren is de grote lijn naar beneden geweest. Daardoor hebben fondsen forse verliezen geleden op het aanpassen van de rekenrente. Die verliezen overschaduwden de winsten uit de werkelijke rendementen volledig. Daardoor was er geen ruimte om te indexeren en is zelfs het kunnen nakomen van de toegezegde pensioenen in gevaar gekomen. 

in 2022 is de trend gekeerd. Toen is de rekenrente juist gestegen en kwam er ruimte om te indexeren.

Rekenrente – Alternatieve ideeën

Nu zijn er tegengeluiden met een andere mening. Die zeggen: kijk naar het beleggingsrendement dat het fonds de afgelopen jaren gemaakt heeft. Dat is elk jaar fors meer dan de wettelijke rekenrente. Dan mag je voor de toekomst ook wel wat optimistischer zijn. Door die wat optimistischer kijk op de toekomst wordt de rekenrente hoger en met die verhoging maakt een fonds in een klap een forse winst. Die winst kan gebruikt worden om de komende jaren te indexeren.

Rekenrente – Koopkrachtig Solidair Pensioen

Bij Koopkrachtig Solidair Pensioen (KSP) gaat het weer anders. Bij KSP kijken we naar de beleggingen die het fonds op het moment in portefeuille heeft. Zijn dat vastrentende waarden (beleggingen waarop een vaste rente is afgesproken, zoals obligaties en hypotheken), dan weet je precies hoeveel je kunt verwachten en dan mag je daar ook op rekenen. Zijn dat zakelijke waarden (onzekere beleggingen zoals aandelen), dan is de rekenrente dat rendement dat met een bepaalde mate van zekerheid op zulke beleggingen gemaakt kan worden. Daarvoor zal een statistiek over vele jaren worden gebruikt.  

Restitutie

Pensioen is een levenslange uitkering. Met andere woorden: die stopt als de deelnemer overlijdt. Het geld dat nog in zijn pensioenpot zat is niet meer nodig en wordt toegevoegd aan de reserves van het pensioenfonds dat daar de pensioenpotten van de overlevende deelnemers mee aanvult om ook de deelnemer die 110 wordt tot aan zijn dood een goed pensioen te kunnen bieden.

Dit kan communicatief ingewikkeld worden als iemand vóór pensioendatum overlijdt. Hij heeft dan jaren betaald en krijgt zelf geen uitkering.

Sommige politici pleiten daarom voor een restitutieregeling. Dat wil zeggen, dat de opgebouwde pensioenpot op een of andere manier toekomt aan de nabestaande. Op het moment van schrijven is het alleen nog maar een discussieonderwerp en is niet duidelijk of er ooit iets van deze aard gaat komen.

Risicobasis

Bij een nabestaandenpensioen op risicobasis wordt er elk jaar een verzekering gesloten voor het eventueel uit te keren pensioen. Het is goedkoper dan een nabestaandenpensioen op opbouwbasis, maar als de deelnemer uit dienst gaat is er helemaal niets meer.

Deze vorm van nabestaandenpensioen is onder de Wet toekomst pensioenen de standaard.

Risicovrije rente

Veel mensen maken kennis met verschillen in rentetarieven als ze een hypotheek afsluiten. De rente die je voor een hypotheek betaalt is afhankelijk van het moment van afsluiten, van de looptijd (de periode waarop de rente vast staat) en van het risico dat jij bent voor de bank. Het risico dat jij bent voor de bank hangt af van zaken als je inkomen en de stabiliteit daarin en van de waarde van je huis in verhouding tot het te lenen bedrag. De bank bepaalt op basis van een combinatie van die factoren of jij een onaanvaardbaar, een hoog of een laag risico bent. Ben je een onaanvaardbaar risico, dan krijg je de hypotheek niet; ben je een hoog risico, dan krijg je de hypotheek wel, maar betaal je een hoge rente; ben je een laag risico, dan krijg je de hypotheek met een lage rente.

Hoe gunstig jouw cijfers ook zijn, de bank zal nooit zeggen “geen risico”. Want er blijft altijd wel een klein risico over dat jij je hypotheek niet gaat terugbetalen.

Dat zeggen ze wel bij partijen als de Nederlandse staat. Hoe beroerd de financiële huishouding van de staat ook is, harde verplichtingen zal zij altijd nakomen. Daarom krijgt de staat een rentetarief die hoort bij de categorie “geen risico”. Oftewel, de risicovrije rente.

Nu zijn er puristen die zeggen, dat ook het risico van de staat niet “geen”, maar “zeer klein” is. Daardoor kan de risicovrije rente toch iets afwijken van de rente op staatsleningen.

Het woord “risicovrij” in risicovrije rente gaat dus alleen over het risico dat de tegenpartij de lening niet terugbetaalt. Voor de belegger die voortdurend handelt in dergelijke leningen is de risicovrije rente dus niet vrij van risico. Want de rente gaat wel op en neer en de korte-termijn-belegger en de speculant kunnen dus wel degelijk geld hierop verliezen.

ROL Pensioenfondsen

ROL Pensioenfondsen is een risicomodel, bedoeld om de risico’s van pensioenfondsen te beheersen. Het heeft dezelfde doelstelling als het FTK (beschermen van pensioenuitkeringen), maar doet dat met een realistischer risicomodel, waardoor de kans op korten van pensioenen verwaarloosbaar is en de kans op koopkrachtbehoud reëel. het is het model waarmee Koopkrachtig Solidair Pensioen zijn doelstellingen wil waarmaken.

Slaper

Een slaper is iemand die wel pensioenrechten heeft, maar geen premie betaalt en ook nog geen pensioen geniet. Zo iemand heeft ooit bij het bedrijf of de bedrijfstak gewerkt waarop de regeling van toepassing is, maar doet dit nu niet meer. Ook heeft hij er niet voor gekozen om zijn pensioen over te dragen naar een andere pensioenuitvoerder, zodat het nog steeds bij het oude fonds staat.

Solidair contract

Pensioenfondsen hebben keuze uit twee contracten om de pensioenregeling vorm te geven. Een daarvan is het solidaire contract.

In het solidaire contract is er sprake van één grote collectieve beleggingspot. Er is dus ook één beleggingsbeleid. Dat geldt zowel waar het gaat om afwegingen van risico en rendement als om morele en ethische afwegingen.

Om te voorkomen dat risico’s tussen generaties gedeeld worden geldt hierbij de leeftijdsafhankelijke rendementstoedeling. Dat betekent, dat het rendement dat gemaakt wordt op de totale beleggingsportefeuille verdeeld wordt over de deelnemers met een verdeelsleutel die afhankelijk is van de leeftijd van de deelnemer. Jonge deelnemers krijgen een groter aandeel in het rendement dan oude deelnemers. Die verdeelsleutel geldt zowel wanneer het rendement positief als wanneer het negatief is

Solidariteit

Solidariteit is wanneer iemand vanuit een bepaalde verbondenheid geld of inspanningen deelt met een of meer anderen. Solidariteit kan spontaan of afgedwongen zijn. Over spontane solidariteit zijn hartverwarmende maatschappelijke beschouwingen te geven. Voor pensioenen is vooral afgedwongen solidariteit relevant.

Solidariteit brengt welvaartswinst. Door solidariteit worden risico’s gedeeld en daardoor worden risico’s – net als de kans op grote meevallers overigens – per individu kleiner. We zien dat bij verzekeringen. Zo zijn bijvoorbeeld alle automobilisten door het betalen van een verzekeringspremie solidair met die automobilist die een ongeluk heeft. Daardoor is de de schade voor laatstgenoemde beperkt en daar weer door kunnen alle automobilisten zich veroorloven om auto te rijden met het risico om een ongeluk te hebben.

Bij pensioenen werkt het net zo. Door risico’s te delen worden de pensioenen van eenieder beter. Mensen die vroeg overlijden financieren het levenslange pensioen van de 110-jarige; overlevers financieren het nabestaandenpensioen voor de jong overleden deelnemer. En door beleggingsrisico’s te delen kan er risicovoller en dus op termijn lucratiever worden belegd. Daar wordt iedereen beter van.

Nu werd door de initiatiefnemers van de Wet toekomst pensioenen de solidariteit tussen generaties niet meer van deze tijd geacht. Dus werd de solidariteit tussen generaties afgeschaft. Dit is de basis van de Wet toekomst pensioenen.

Door het afschaffen van de solidariteit tussen generaties verdwijnt ook de daarbij horende welvaartswinst. Berekeningen laten zien dat voor gepensioneerden daardoor geen koopkrachtig pensioen meer haalbaar is.

Solidariteitsreserve

De solidariteitsreserve is een reserve die in het leven is geroepen om de afschaffing van de solidariteit tussen generaties een klein beetje terug te draaien. als de beleggingsresultaten heel goed zijn wordt er wat afgeroomd en in de solidariteitsreserve gestort. Bij heel slechte resultaten is het juist andersom. Over hoe dat precies in zijn werk gaat wordt nog gestudeerd en onderhandeld.

Stichting ROL Pensioenfondsen

De Stichting ROL Pensioenfondsen is de stichting die zich inzet om de solidariteit tussen generaties in de pensioenen te herstellen en koopkrachtbehoud voor gepensioneerden daardoor weer mogelijk te maken. de stichting kiste daarbij voor de politieke route. Er zijn al de nodige medestanders van de stichting, zowel onder het publiek als onder deskundigen. Maar om ook de sceptici te overtuigen is meer onderzoek voor een gedetailleerdere uitwerking en doorrekening nodig. U kunt de stichting steunen door een donatie te storten op NL77TRIO0320649903 t.n.v. Stichting ROL Pensioenfondsen.

Uitruilen

In de loop van de jaren bouw je een ouderdomspensioen voor jezelf op. Op de pensioendatum kun je kiezen om een deel daarvan uit te ruilen voor een nabestaandenpensioen. Dan krijg je zelf een wat lager pensioen, maar wat je inlevert komt ten goede aan je partner als je komt te overlijden.

Vervangingsratio

De vervangingsratio is het inkomen van iemand in de eerste maand na pensionering gedeeld door het inkomen in de laatste maand voor pensionering. Het is een maat voor de kwaliteit van een pensioenregeling, omdat het aangeeft hoe de overgang in inkomen van voor naar na pensionering gaat. Over het algemeen wordt een vervangingsratio van zo’n 70% als ideaal pensioen gezien.

Waardeoverdracht

Een waardeoverdracht is een overdracht van pensioenrechten van de ene naar de andere pensioenuitvoerder. Dit kan makkelijk zijn om alle pensioenaanspraken bij één partij te hebben staan. Ook kan de ene pensioenuitvoerder een gunstiger indexatieregeling kennen dan de andere. Fondsen die een te groot tekort hebben mogen niet meewerken aan zo’n waardeoverdracht.

Waarderingsperspectief

Het waarderingsperspectief is een term die Stichting ROL Pensioenfondsen heeft geïntroduceerd om een bepaalde manier van bepalen van de technische voorziening van een pensioenfonds. De belangrijkste bepalende grootheid hierin is de rekenrente.

Bij het waarderingsperspectief wordt een pensioen gezien als een serie uitkeringen die een fonds moet nakomen. De pensioenverplichtingen worden gezien als harde verplichtingen en dus wordt er op de financiële markten gekeken hoeveel harde verplichtingen precies die looptijd en omvang kosten. Men komt dan grofweg uit bij staatsobligaties. Men kijkt wat een staatsobligatie van precies die uitkering kost en dat is dan de waarde van de pensioenverplichting.

Het waarderingsperspectief staat tegenover het begrotingsperspectief.

WTP

Wet toekomst pensioenen. Dit is de wet die het nieuwe pensioenstelsel regelt.

Woordenlijst

ROL is een innovatieve manier van pensioen-rekenen. Waar de politieke discussie gaat over òf-òf-vragen, realiseert de ROL èn-èn.

  • Èn nominale zekerheid (geen kortingen van pensioenen meer);
  • Èn snellere indexatie voor ouderen (aanpassen van pensioen aan gestegen prijzen), sneller nog dan het pensioenakkoord;
  • Èn pensioenzekerheid voor jongeren;
  • Èn grote kans op een volledig geïndexeerd pensioen voor jongeren;
  • Èn stabiele premies op ongeveer het huidige niveau.

Dit is niet te mooi om waar te zijn. Dit is slimmer rekenen. Actuaris Arno Eijgenraam kan politieke discussies overbodig maken door al deze doelstellingen tegelijk te realiseren.

Gerelateerde berichten

De haalbaarheid van een koopkrachtig pensioen

Onderzoeksrapport. De-haalbaarheid-van-een-koopkrachtig-pensioenDownloaden

Lees meer

Koopkrachtig Solidair Pensioen, onze nieuwe naam

Om beter duidelijk te maken waar we voor staan introduceren wij een nieuwe naam: Koopkrachtig Solidair Pensioen.

Lees meer